Vaststellingsovereenkomst in strijd met dwingend recht is geldig

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 30 juli 2013 bepaald dat een vierde opeenvolgende arbeidsovereenkomst, tevens overeenkomst tot beëindiging van die arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, rechtsgeldig is, ook als daarbij van de wet wordt afgeweken.

Partijen zijn, na 3 eerdere arbeidscontracten, opnieuw een arbeidsovereenkomst aangegaan, waarbij meteen werd afgesproken dat die arbeidsovereenkomst op 1 januari 2012 zou eindigen.

De werknemer stelde zich op het standpunt dat door de combinatie van afspraken feitelijk sprake was van een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Ingevolge artikel 7:668 a BW – dat van dwingend recht is – zou de laatste arbeidsovereenkomst alleen voor onbepaalde tijd mogen gelden. Daardoor zou de combinatie van afspraken het oogmerk hebben om een dwingendrechtelijke bescherming te omzeilen en nietig zijn wegens strijd met de openbare orde en/of de goede zeden.

Vaststellingsovereenkomst

Het hof oordeelde allereerst dat partijen een vierde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen en gelijktijdig een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7: 900 BW.

‘Het feit dat partijen tegelijkertijd met het sluiten van de arbeidsovereenkomst een andere overeenkomst hebben gesloten, waarbij werd afgesproken dat genoemde arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou worden beëindigd per 1 januari 2012, kan aan de onbepaaldheid van de (vierde) arbeidsovereenkomst niet afdoen. Van een (vierde) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gelet op de bewoordingen van beide genoemde overeenkomsten derhalve geen sprake’.

Dwingend recht

‘Ingevolge artikel 7: 902 BW is een vaststelling ter beëindiging van onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk gebied ook geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de openbare orde of de goede zeden. Voor zover in dit geval al sprake zou zijn van strijd met dwingend recht, te weten – indirecte – strijd met artikel 7: 668a BW, dan is de overeenkomst dus toch geldig’.

Dat er sprake zou zijn van strijd met de openbare orde of de goede zeden achtte het Hof niet aangetoond. Zelfs als er zou zijn afgeweken van een driekwart-dwingende wetsbepaling, achtte het Hof ook dat onvoldoende om te concluderen tot strijd met de openbare orde of de goede zeden.

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met een van onze advocaten.