Schadevergoeding na vrijspraak

Vaak komt het voor dat een verdachte in een strafzaak niet wordt veroordeeld. Het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft slechts beperkte mogelijkheden om door ex-verdachten geleden schade vergoed te krijgen: voor ondergane voorlopige hechtenis (art. 89 Sv.) en advocaatkosten (art. 591a). Daarnaast kan een gewezen verdachte echter ook andere schade hebben geleden door het handelen van politie en justitie, bijvoorbeeld inkomstenderving of immateriële schade. Om dit soort schade te verhalen, moet een civiele procedure plaatsvinden. In welke gevallen wordt er schadevergoeding toegekend aan ex-verdachten?

Schadevergoeding

De uitgangspunten voor schadevergoeding voor ex-verdachten bij de civiele rechter zijn neergelegd in een uitspraak van Hoge Raad van 13 oktober 2006. Daarin is bepaald dat er in (slechts) twee gevallen recht bestaat op schadevergoeding in verband met strafrechtelijk optreden van politie en justitie:

1. Van begin af aan was er geen rechtvaardiging voor het optreden van politie/justitie, doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht;

2. Als de strafzaak eindigt zonder een bewezenverklaring, en uit de uitspraak van de strafrechter of uit het strafdossier de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie en justitie berustte blijkt.

Onrechtmatig

Dat betekent dat een ex-verdachte aanspraak kan maken op een schadevergoeding wanneer het optreden van de overheid onrechtmatig is vanwege de gebleken onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking, bijvoorbeeld als de zaak eindigt met een sepot. Dat kan ook blijken uit de uitspraak en uit de stukken van de strafzaak, als er wel wordt vervolgd.

Blijkt uit dit alles niet dat de betrokkene onschuldig was, dan wordt er van uitgegaan dat de verdenking tegen de ex-verdachte juist was. De ex-verdachte kan dan voor schadevergoeding alleen een beroep doen op de mogelijkheden van artikelen 89-93, 591 en 591a Sv.

Vrijspraak

Een vrijspraak (of andere uitspraak waarbij de verdachte niet wordt veroordeeld, zoals niet-ontvankelijkheid) hoeft niet automatisch te betekenen dat een verdachte onschuldig wordt geacht, met name als de verdachte ‘wegens gebrek aan bewijs’ wordt vrijgesproken, terwijl het onduidelijk blijft of de verdachte het feit wel of niet heeft gepleegd. Alleen een ’100%’ vrijspraak, waaruit duidelijk blijkt dat de verdachte onschuldig is, kan leiden tot civiele schadevergoeding. Dat kan bijvoorbeeld ook als later, na de uitspraak, blijkt dat een ander dan de verdachte de dader was, bijvoorbeeld bij de oplossing van een coldcase, zoals de paskamermoord.

De civiele bewijslast rust op de gewezen verdachte.

Bezwaren

In de literatuur is bezwaar gemaakt tegen deze gang van zaken (a) omdat het onwenselijk zou zijn dat legitiem overheidsoptreden achteraf als onrechtmatig wordt bestempeld. Bovendien (b) wordt de verdachte voor de (vaak onmogelijke) taak gesteld om zijn onschuld aan te tonen aan de hand van de (eenzijdige) stukken van de strafzaak die voornamelijk belastende informatie bevatten.

Niettemin houdt de Hoge Raad vast aan dit criterium (onder meer) omdat de burgerlijke rechter geen vragen mag beantwoorden die thuishoren bij de strafrechter.

Conclusie

Op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad heeft het vorderen van schadevergoeding bij de civiele rechter met name zin als aangetoond kan worden dat de strafrechtelijke maatregelen ten onrechte zijn aangewend, ofwel omdat er in het begin van de zaak ten onrechte verdenking is aangenomen (bijvoorbeeld als de zaak niet bij de strafrechter komt) ofwel als de onschuld blijkt uit de uitspraak van de strafrechter en het strafdossier. De uitspraak alleen is daarvoor niet voldoende.

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met een van onze advocaten.