Geen VAR en inschrijving KvK: toch geen arbeidsovereenkomst

Rechtbank Amsterdam heeft op 13 november 2014 bepaald dat een student die naast zijn studie werkzaamheden verrichtte voor een door een medestudent opgericht bedrijf, geen arbeidsovereenkomst heeft met dat bedrijf.

Accountbeheerder

Betrokkene bood aan voor het bedrijf te komen werken als accountbeheerder.

VAR

Het bedrijf stelde als voorwaarde dat hij als zelfstandige zou gaan werken op basis van provisie, en dat hij zich daarvoor zou inschrijven bij de Kamer van Koophandel en een VAR zou aanvragen. Betrokkene schreef zich niet in en vroeg ook geen VAR wuo aan. Nadat onderhandelingen tussen partijen over de oprichting van een BV spaak liepen, stelde betrokkene zich op het standpunt dat hij een arbeidsovereenkomst had gesloten met het bedrijf.

Onderhandelingen

De kantonrechter stelde vast dat er sprake was van werken op provisiebasis en dat het niet aangaat om na het mislukken van onderhandelingen om als partners verder te gaan, eenzijdig te stellen dat er een arbeidsovereenkomst is geweest. Ook door feitelijke ontwikkelingen is er geen arbeidsovereenkomst ‘gegroeid’, aldus de kantonrechter.

Instructies

Dat er instructies werden gegeven duidt niet op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Ook was er geen vast loon overeengekomen. Dat betrokkene zich niet bij de KvK had ingeschreven en geen VAR wuo heeft aangevraagd maakt dat niet anders, omdat hij zich in afwachting van de oprichting van de BV niet liet uitbetalen, aldus de kantonrechter. Alleen de vordering wegens onbetaalde provisie werd zodoende toegewezen.

Conclusie

Volgens vaste rechtspraak moet voor de vraag of een rechtsverhouding tussen partijen als arbeidsovereenkomst geldt, er worden getoetst aan de criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval. Er moet niet alleen gekeken worden naar wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, maar er moet ook acht worden geslagen ‘op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven’ (HR 14 november 1997, NJ 1998/149 alsmede HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6231, en HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887).

Deze uitspraak is nog niet gepubliceerd.

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met een van onze advocaten.