Bank mag toezichthouder niet informeren over ontslag ex-werknemer

Rechtbank Oost-Brabant heeft op 13 november 2013 bepaald dat een bank, die een werknemer op staande voet heeft ontslagen, maar verklaard heeft geen informatie over het ontslag te zullen verstrekken, onrechtmatig handelt als de toezichthouder van de nieuwe werkgever over het gegeven ontslag wordt geïnformeerd.

Ontslag op staande voet

De werknemer was in 2011 op staande voet ontslagen nadat er naar hem een compliance onderzoek was uitgevoerd.

Geheimhouding

Na het ontslag voerde de werkgever een procedure tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Tijdens de behandeling van het voorwaardelijk ontbindingsverzoek had de toenmalige advocaat van de ex-werkgever verklaard: ‘Op het moment dat de Rabobank nogmaals schriftelijk om nadere informatie vraagt, zal de Rabobank naar de werknemer worden verwezen en men zal de Rabobank wijzen op de eerdere brief die al naar de Rabobank is verzonden aangaande de informatie over de functie uitoefening, en de lengte van het dienstverband’.

De arbeidsovereenkomst werd voorwaardelijk ontbonden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer van € 110.000,- bruto.

Sollicitatie

Na zijn ontslag heeft de werknemer bij de Rabobank gesolliciteerd. In verband met deze sollicitatie heeft Rabobank aan de ex-werkgever informatie over de betrouwbaarheid van de werknemer gevraagd. De ex-werkgever antwoordde daarop dat ‘de werknemer op staande voet was ontslagen en de vernietigbaarheid van dit ontslag ingeroepen. Voor een verdere toelichting verwijzen wij u graag naar de heer de werknemer zelf.’

Toezichthouder

De Nederlandse Bank heeft Rabobank Nederland belast met de rol van toezichthouder. De ex-werkgever heeft aan de Directeur Toezicht van Rabobank Nederland, met een beroep op ‘de Algemene Gedragscode, de Wet financieel toezicht en besluiten die daaruit voortvloeien’ medegedeeld dat bij Rabobank een (ex-) werknemer werkzaam was, dat deze op staande voet was ontslagen vanwege onacceptabele gedragingen en dat er daarover een bodemprocedure liep bij de kantonrechter. Ook werd later de ontbindingsbeschikking opgestuurd. De Directeur Toezicht van Rabobank Nederland heeft de Rabobank geadviseerd afscheid te nemen van de werknemer.

Opzegging

Daarop is de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd opgezegd, waarbij aan de werknemer een beëindigingsvergoeding van € 55.000,- is toegekend.

Bodemprocedure

In een bodemprocedure bij de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch heeft de werknemer gevorderd dat het ontslag op staande voet nietig is en heeft aanspraak gemaakt op betaling van loon en nakoming van verplichtingen uit de pensioenregeling. Deze vorderingen zijn toegewezen. In hoger beroep is het vonnis vernietigd en zijn de vorderingen van de werknemer alsnog afgewezen.

Onrechtmatige daad

In de volgende procedure vorderde de werknemer een verklaring voor recht dat zijn ex-werkgever tekort is geschoten in de geheimhoudingsovereenkomst, althans heeft gehandeld in strijd met artikel 7:611 BW, althans jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door eind september 2011 uit eigener beweging contact op te nemen de Directeur Toezicht van Rabobank Nederland en zich tegenover Rabobank negatief uit te laten. Als schade werd € 745.936,51 gevorderd en € 25.000,- aan immateriële schade.

De rechtbank overwoog dat hetgeen ter zitting aan de orde was gekomen geen (geheimhoudings)overeenkomst oplevert.

Dat de ontbindingsbeschikking aan de Rabobank was toegezonden werd niet in strijd met goed werkgeverschap geacht, omdat er geen andere informatie was verstrekt dan de werknemer zelf al had gedaan.

Het verstrekken van deze gegevens werd evenmin is strijd geacht met de wet Bescherming Persoonsgegevens.

Mededelingen

Voor wat betreft het doen van de mededeling aan Rabobank Nederland dat bij Rabobank een (ex-) werknemer werkzaam was, dat men deze (ex-) werknemer op staande voet had ontslagen vanwege onacceptabele gedragingen en dat er daarover een bodemprocedure liep bij de kantonrechter, geldt volgens de rechtbank dat het ‘niet onwaarschijnlijk was dat deze mededelingen gevolgen zouden kunnen hebben voor het dienstverband van de werknemer bij Rabobank, in die zin dat Rabobank zou afzien van het aangaan dan wel voortzetten van het dienstverband met de werknemer’.

Gevolgen voorzienbaar

‘Het was voorzienbaar dat Rabobank Nederland naar aanleiding van de mededelingen van Van [gedaagde] navraag over de werknemer zou doen bij Rabobank en zich met Rabobank zou verstaan over het al dan niet in dienst nemen of houden van de werknemer. De gevolgen daarvan zouden voor de werknemer verstrekkend en schadelijk kunnen zijn. Uit de interne en externe regelgeving waarop Van [gedaagde] zich heeft beroepen volgt niet dat zij gehouden was haar eigen toezichthouder in kennis te stellen van het feit dat de werknemer bij Rabobank in dienst zou treden en evenmin volgt daaruit dat Van [gedaagde], al dan niet op verzoek van haar toezichthouder, gehouden was aan Rabobank Nederland te melden dat de werknemer als zijnde een bij haar op staande voet ontslagen werknemer in dienst ging treden bij Rabobank’.

Omdat van een verzoek van AFM of een rechterlijk bevel geen sprake was, werd de ex-werkgever geacht te hebben gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij tegenover de werknemer in acht had te nemen.

Bewijsopdracht

Dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder de inmenging van Rabobank Nederland niet zou hebben plaatsgevonden kan volgens de rechtbank echter niet zonder meer worden aangenomen:

‘De indiensttreding van de werknemer bij Rabobank had immers plaatsgevonden onder de ontbindende voorwaarde dat uit de rechtszaak van 29 augustus 2011 geen zaken naar voren zouden komen die een negatieve screening tot gevolg zouden hebben’.

Het ligt volgens de rechtbank op de weg van de werknemer om aan te tonen dat Rabobank de arbeidsovereenkomst met hem heeft beëindigd als gevolg van de inmenging in zijn dienstverband met Rabobank.

Zodoende werd de werknemer opgedragen te bewijzen dat zijn dienstverband met Rabobank is beëindigd als gevolg van de mededeling aan Rabobank Nederland, en dat Rabobank zijn dienstverband met de werknemer na afloop van de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar zou hebben voortgezet tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer.

Conclusie

Of de werknemer veel is opschoten met deze uitspraak is onzeker. Weliswaar staat vast dat zijn ex-werkgever onbetamelijk heeft gehandeld door het doen van (onverplichte) mededelingen aan de toezichthouder, maar het is de vraag of hij zal kunnen bewijzen dat hij zijn contract voor bepaalde tijd zou hebben uitgediend en dat de Rabobank hem vervolgens een contract voor onbepaalde tijd zou hebben aangeboden tot aan zijn pensioen. Daar ligt het grootste deel van de gevorderde schade.

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met een van onze advocaten.